Important Announcement
PubHTML5 Scheduled Server Maintenance on (GMT) Sunday, June 26th, 2:00 am - 8:00 am.
PubHTML5 site will be inoperative during the times indicated!

Home Explore Geel 1 rapport

Geel 1 rapport

Published by dirk.mervis, 2017-02-14 16:49:46

Description: Geel 1 rapport

Search

Read the Text Version

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Afbeelding 9.56.: Weergave en reconstructie van Alphen-Ekeren type woonstalhuis.4Gebouwplattegronden type 'Oss Ussen 5'Van het Oss Ussen type werden er vier huizen aangetroffen (Afbeelding 9.57.). Structuren018, 019 en 023 waren noordwest-zuidoost georiënteerd, terwijl gebouw 024 min of meerhaaks hierop was gebouwd. Alle huisplattegronden werden zeer fragmentair aangetroffen.Vaak was enkel de rij nokdragers en enkele palenkoppels van de wand bewaard of enkelepalen van de ingangspartij. Dateringen van deze gebouwen aan de hand van het aardewerkresulteert enkel in een zeer globale periodisering. Al het aardewerk aangetroffen in depaalkuilen van deze sporen was van het handgevormde type en kwam van vormen diegebruikt werden doorheen gans de ijzertijd tot in de vroege middeleeuwen.Enkel bij structuur 024 kon een duidelijke ingangspartij herkend worden. Deze lagconform het typevoorbeeld excentrisch. Waar dit voor de gebouwen uit Oss Ussen5 of4 Schinkel, 1998, fig. 110. 119

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Wijnegem6 echter veelal op de zuidelijke helft gelegen is, is hier de ingangspartijnoordwaarts gelegen. Gebouw 024 bestaat verder uit vier zware nokdragers en was circa 20meter lang. De wandpalen werden slechts zeer sporadisch aangetroffen. Afbeelding 9.57.: Uitlichting van de gebouwplattegronden uit de Romeinse periode.Van structuur 022 zijn er zes nokdragers aangetroffen. Eén nokpaal schijnt bewust ofonbewust te zijn overgeslagen waardoor een grotere binnenruimte gecreëerd werd. Eengelijkaardig fenomeen werd onder andere waargenomen bij gebouw 502 van WeertKampershoek, waar het weglaten van een nokpaal resulteerde in een open ruimte van bijna110 m²7. Gezien de redelijk diepe bewaringstoestand van de overige palen is het zeeronwaarschijnlijk dat het ontbreken van één nokdrager binnen deze constellatie te wijten isaan bioturbatie of andere post-depositionele processen. In Geel resulteerde dit in een openruimte van circa 24 m² (4 x 6 meter).De overige paalkuilen waren gevuld met bijzonder veel verbrande leembrokken. Dezehalfgebakken aarde is een ideale basis om constructiepalen mee te fixeren. De leem is5 Schinkel, 1998, p. 192.6 Cuyt, 1991.7 Hiddink, 2010, p. 103. 120

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)hoogstwaarschijnlijk bouwafval, waarbij hij gerecupereerd werd na het afbranden van eenhuis of na de afbraak van een haard of oven.Afbeelding 9.58.: Oplijsting van de structuren volgens type Oss 5A 121

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Structuur 018 werd slechts zeer fragmentair teruggevonden, aangezien de middeleeuwseoccupatiefase vele sporen vernietigd heeft. In situ kon nog één middenstaander enmogelijk drie palenkoppels van de wandstructuur herkend worden. Het meest noordelijkepalenkoppel bestaat uit drie paaltjes, wat mogelijk een indicatie is van een ingang. Eengelijkaardige ingangspartij werd onder andere aangetroffen bij huis Oss 18 uit Oss Ussen8De laatste aan dit type toegewijde gebouwplattegrond, structuur 019, is een beetje eentwijfelgeval. Van de binnenconstructie werden slechts de twee nokdragers op de uiteindesvan het gebouw aangetroffen en van de wandconstructie enkel de westelijke wandpalen.Deze vormen echter niet de mooie twee aan twee gepaarde palenkoppels die kenmerkendzijn voor het type Oss 5. Uit de opgraving van Oss Ussen zijn gebouwplattegrondengekend waarbij sommige palen als koppel gebouwd zijn, terwijl andere weer solitair staan.Uit dateringen blijkt dat deze huizen eveneens worden gesitueerd in de late ijzertijd, watbetekent dat dit niet geïnterpreteerd kan worden als een overgangstype tussen het Haps-huis en het Oss 5 type.Dit type, Oss 4B genaamd, kenmerkt zich door een centrale rij nokdragers en eenafwisseling van één tot drie wandpalen om de dakconstructie te ondersteunen. Ze warentot 18 meter lang en hadden een ingang aan de lange zijde. Het huis te Geel was circa 23meter lang, wat ongeveer 5 meter9. De locatie van de ingang kon niet bepaald worden.Gebouwplattegronden type 'Alphen-Ekeren'Vijf huizen werden er aangetroffen gebouwd volgens het Alphen-Ekeren type. Tweehoeves lagen er tegen de zuidwestgrens van de opgraving, terwijl de drie andere centraalmiddenin het plangebied gelegen waren. De oriëntatie van de gebouwen varieert vannoordoost-zuidwest naar noordwest - zuidoost.De eerste groep omvat gebouw 021 en 023. Structuur 021 was een tweeschepig gebouwmet drie paalkuilen op één lijn die dienst deden als nokdrager. Het gebouw was 12 meterlang en 6 meter breed. De wand bestond uit enkele palen op regelmatige afstand. In hetnoordoosten van het gebouw is een deel van de ingang aangetroffen. Vooral het zuidelijke8 Schinkel, 1998, p. 192 - 193.9 Schinkel, 1998, p. 193. 122

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)deel van de structuur werd goed bewaard. Gelijkaardige gebouwen werden onder andereaangetroffen te Lieshout en Weert10. Afbeelding 9.59.: Gebouwplattegronden van het Alphen-EkerentypeGebouw 023 heefte een min of meer gelijkaardige opbouw en is eveneens tweeschepig.Dit gebouw kenmerkt zich door de aanzet van een wandgreppel die vanaf de ingang in situwerd aangetroffen Hoewel een dergelijke wandversteviging typerend is voor gebouwen uitde ijzertijd, is dit geen periodegebonden kenmerk. Zoals zovele bouwmethodes is ookdeze tijdsvakoverschreidend en wordt ze nog tot in de Romeinse periode gebruikt.Voorbeelden hiervan zijn onder andere te vinden in Brecht - Zoegweg11 en Weert -10 Hiddink, 2010, p. 102.11 Verbeek en Delaruelle, 2004, p. 232. 123

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Kampershoek12. Het gebouw kon echter niet in zijn totaliteit gedocumenteerd worden,aangezien een deel buiten de westelijke grens van de opgraving gelegen was.Waar de huisplattegronden van de eerste cluster met enige zekerheid konden beschrevenworden, zijn deze van de tweede cluster eerder hypothetisch. Deze hoeves zijn gelegen inde zone met de meeste bewoningssporen. Deze cluster spreidde zich uit over vierwerkputten (16, 30, 31 en 36) en op het meest dense deel werden er gemiddeld 600 sporenper 1000 m² werkput aangetroffen.De sporen binnen deze vaak bebouwde zone dateren uit alle occupatiefases die op deze siteaanwezig zijn, gaande van de ijzertijd tot en met de volle en late middeleeuwen. Nodelooste zeggen dat het aardewerk aangetroffen in vele van deze sporen als intrusief beschouwdkan worden en daar verzeild geraakt is door post-depositionele processen. Zeker voormateriaalcategoriën zoals handgevormd aardewerk, hetgeen over een lange periode gebruiktgeweest is, zijn de weergegeven dateringen louter hypothetisch. Desalniettemin werd ergetracht aan de hand van bestaande en gekende voorbeelden, huisplattegronden teonderscheiden binnen deze dense wolk sporen, maar allicht zijn er talloze structuren overhet hoofd gezien.Structuur 148 beantwoord aan het typevoorbeeld van een Alphen-Ekeren boerderij. Eencentrale rij middenstaanders draagt de dakstructuur, terwijl één rij palen voor de wandzorgt. De volledige oostwand van deze structuur is weggevaagd door de aanleg van eenperceelsgreppel in de nieuwe/nieuwste tijd. De hoeve heeft een noordwest-zuidoostoriëntatie en is ongeveer 15 meter lang en 7 meter breed. De inplanting van dit gebouwkomt overeen met de nabijgelegen structuur 019, die eveneens in de Romeinse periodewordt gedateerd. 9.5.2. RandstructurenGreppelsEén greppel kon met enige zekerheid gedetermineerd worden als een greppel uit deRomeinse periode. Dit spoor was eerder een gracht en bestond minstens uit twee12 Hiddink, 2010, p. 102. 124

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)verschillende gebruiksfases. Spoor 235 was de jongere en spoor 236 de oudere fase. Degracht heeft een noordoost-zuidwest oriëntatie en loopt vanaf het meest noordelijke puntvan de opgraving tot tegen de westwand. Afbeelding 9.60.: Algemeen overzicht van de structuren uit de Romeinse periode. Links bovenaan de greppelstructuur.Binnen beide gebruiksfases zijn nog meerdere organische en anorganische pakkettenvastgesteld, wat wijst op een wisselend debiet, met bijbehorende verzanding, binnen dezegrachtstructuur. Dit wisselende debiet, en de daarbij gepaard gaande transportcapaciteit,gaat schijnbaar gepaard met een sterke af- of aanwezigheid van aardewerk, waarbij hetmerendeel binnen de organische sedimenten voorkomt.Veelal wordt er gestelt dat in riviercontexten een deel van het aangetroffen aardewerkmogelijk getransporteerd werd van een site die meer stroomopwaarts gelegen is.Onderzoek naar dit gegeven leert echter dat dit niet zo eenvoudig is als het lijkt. Om eenscherf van bijvoorbeeld 1 cm² te transporteren is er namelijk redelijk wat debiet, enbelangrijker een redelijk grote stroomsnelheid nodig. 125

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel) Afbeelding 9.61.: Grafiek van Hjulström met weergave van de partikelgrootte (X) en de stroomsnelheid (Y). De zone in grijs is de zone waarbinnen de testresultaten van de proefnemingen zich bevonden.13Dit werd onder meer onderzocht door de zweedse geograaf Filip Hjulström, die in 1955een curve opstelde, aan de hand van experimentele data, waarin aan de hand van het eerstebewegen van een object met een bepaalde grootte, de stroomsnelheid werd gekoppeld aandeze patikelgrootte (Afbeelding 9.61.)). Hieruit blijkt dat om een partikel van circa 1 cm² inbeweging te krijgen er een stroomsnelheid van minimaal 1 meter per seconde nodig is.Als voorbeeld leert analyse van de gegevens van de nabijgelegen Grote Nete dat destromen in deze regio niet aan dergelijke snelheden geraken. De normale stroomsnelheidvan de Grote Nete situeert zich ergens tussen 0.35 en 0.37 meter per seconde, terwijl bij dehevige najaarstormen van december 2013, die gepaard gingen met hevige regenval ditopliep tot maximaal 0.52 meter per seconde (Afbeelding 9.62.).13 Hjulström, 1935. 126

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel) Afbeelding 9.62.: Historiek van de stroomsnelheid van de Grote Nete voor de maand december 2013. Een duidelijke piek is te bemerken bij de najaarstorm tijdens de kerstperiode.14Het is derhalve onwaarschijnlijk dat de veel kleinere beekloop die langs hetopgravingsgebied loopt voor enig transport van archeologisch materiaal gezorgd kanhebben. Hierdoor is het veilig te stellen dat de scherven die in de verschillendesedimentatiehorizonten voorkomen wel degelijk van deze site afkomstig zijn en dat hunvoorkomen in deze specifieke stratigrafische lagen een andere oorzaak moet hebben gehad.Welke oorzaak dit echter is, kon momenteel nog niet achterhaald worden.Uit beide sporen werd getracht een radiokoolstofdatering te verkrijgen uit goede brokkenverkoold organisch materiaal die werden aangetroffen binnen vegetatierijke horizonten.Deze beide dateringen situeerden zicht echter allebei tijdens de late ijzertijd. Gezien degracht door een nederzetting uit deze periode stroomde is deze houtskool in retrospectieals intrusief te verklaren.14 VMM;be, 2013. 127

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Afbeelding 9.63.: Coupe van de Romeinse greppel S235--S236. De donkere verkleuring rechts bovenaan is greppel S236.Afbeelding 9.64.: Enkele vondsten uit greppel S235. Links onder is een scherf te zien versierd met touwindrukken. 128

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)WaterputtenTwee waterputten konden er in de Romeinse periode gedateerd worden, namelijk waterput2588 en 7802.Waterput 2588 kon enkel gedateerd worden aan de hand van het aardewerk. In dit spoorwerd tevens een opmerkelijke lens tegulae en imbrices bovenin de dempingspakketten van dewaterput aangetroffen (Afbeelding 9.64. en 9.65.). Aanvankelijk werd er gedacht dat dezeRomeinse dakpannen herbruikt waren in de post-Romeinse periode. De afwezigheid vanjonger aardewerk in zowel de putvulling als in de trechtervulling dateert dit spoor echterwel degelijk in de Romeinse periode.De structuur van deze put bestond vermoedelijk uit vlechtwerk. Onderaan de put werdenzeer fragmentair bewaarde sporen van twijgen en takken aangetroffen in een schijnbaarineengevlochten structuur (Afbeelding 9.66.). Deze resten werden ingezameld voor verderonderzoek. Naast deze sporen werden er geen indicatoren aangetroffen van een anderepermanente houten constructie in de waterput. Binnen de vulling van de put werdenenkele houtskoolrijke laagjes aangetroffen. Deze houtskool werd ingezameld voorradiokoolstofdatering. Deze gaf echter een resultaat in de midden ijzertijd, hetgeen teverklaren is aan de hand van contaminatie uit de ijzertijdwaterput S2480 die vlak naastSpoor 2588 gelegen is.Afbeelding 9.64.: Zicht op waterput 2588 met centraal het pakket Romeinse dakpannen. 129

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel) Afbeelding 9.65.: Zicht op waterput 2588 met het pakket Romeinse dakpannen vrijgewerkt. Afbeelding 9.66.: Waterput 2588.De tweede waterput S7802 werd tegen de noordgrens van de derde fase aangetroffen. Hijwerd bovenaan zwaar verstoord door de beekloop die, vermoedelijk tijdens de volle 130

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)middeleeuwen, zijn loop ver zuidwaarts verlegd had. Door de oude beekloop was dezelocatie uitzonderlijk vochtig. Reeds tijdens het couperen van de eerste 50 centimeter werder al opstijgend water aangetroffen. Na circa 80 centimeter werden de eerste houtenplanken aangetroffen. Deze bleken echter niet meer in verband te zitten, waarna ze, nadocumentering, verwijderd werden. Verder verdiepen leverde meer balken en planken op,maar geen enkele werd binnen een constructie aangetroffen. Hierdoor kan er beslotenworden dat de binnenconstructie van deze put, tijdens het gebruik, ingeklapt is, waardoordeze niet meer verder gebruikt kon worden. Het bovenste deel van het spoor werd nogdeels gebruikt als afvalkuil.De bodem van de put kon, wegens het alomtegenwoordige water, niet bereikt worden,waardoor niet geweten is hoe diep de constructie ging. Er is getracht te boren naar deonderkant van de put, maar op drie locaties werd telkens na enkele tientallen centimeterseen ondoordringbaar massief aangetroffen.Afbeelding 9.67.: Waterput 7802. De eerste planken die werden aangetroffen waren naar binnentoe ingedrukt. De meeste andere planken zaten niet meer in verband. 131

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel) Afbeelding 9.68.: Toch zaten nog enkele planken schijnbaar in verband.Op het onderste onderzoeksniveau werden nog enkele planken in verband aangetroffen.Deze vormden een vierkante constructie, waarbij de planken in elkaar haken. Eeneventuele hoekpaal werd niet aangetroffen. Deze constructiemethode voor waterputtenmet in elkaar hakende planken was gangbaar voor waterputten uit de Romeinse periode,maar komt ook nog voor in de vroege middeleeuwen.Alle planken aangetroffen in deze waterput werden opgestuurd voor verdere analyse. Ditresulteerde in een datering tussen 35 voor Christus en de najaar/winter van 27-28 naChristus. Een opmerkelijke vondst is een halfronde plank meen rechthoekig gat en eeninkeping op beide uiteinden (V1683). Waarschijnlijk was dit een deel van het ronde dekselwaarmee de waterput afgesloten kon worden. De andere zijde van het deksel werd nietaangetroffen. Dit zat vermoedelijk nog aan de bovenkant van de put vast ten tijden vanhet inklappen en is op natuurlijke wijze vergaan. Vermoedelijk hebben de twee inkepingenin de halfronde plank als een soort scharnier gewerkt, waardoor dit deel open geklapt konworden om water te kunnen scheppen. Het rechthoekige gat in de plank vertoont geenslijtagesporen, die te verwachten zijn indien er een touw of ketting door het gat heen enweer getrokken zou zijn. Mogelijk was dit gat een onderdeel van een constructie waarmeede waterput tijdelijk vergrendeld kon worden. 132

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel) 9.5.3. BegravingEr werden drie kuilen aangetroffen die mogelijk als begraving kunnen geïnterpreteerdworden. Deze waren gelegen in de noordoosthoek van fase twee. Eén van de mogelijkegraven was centraal in een kringgreppel gelegen, terwijl de twee anderen naast diezelfdekringgreppel werden aangetroffen. Binnen de sporen werd er geen botmateriaalaangetroffen, maar de aard van het spoor doet denken aan een Romeins brandrestengraf.Deze begravingsvorm gelijkt sterk op de urnengraven uit de late bronstijd - vroege ijzertijd,maar waar de crematieresten tijdens deze laatste periode in een pot of urn worden bijgezet,is dit in de Romeinse periode veelal in een kuil in de grond. Occasioneel worden erbijgiften meegegeven aan de overledene. Deze worden soms in een speciale nis bijgezet.Kenmerkend aan dit soort graven is een duidelijke houtskoollens binnen de grafkuil. Ditkomt door het cremeren van de overledene boven de grafkuil, waarna de resten in de kuilworden gedeponeerd. Afbeelding 9.69.: Zijaanzicht van graf 3008 met onderaan een duidelijke houtskoollens.De graven waren noordwest-zuidoost georiënteerd. Eén van de graven was centraalbinnen een kringgreppel ingeplant. Of dit intentioneel was en of dit een hergebruik vaneen ouder grafmonument inhield, kon niet achterhaald worden. Het is echter zeer goedmogelijk dat deze grafstructuren uit de ijzertijd nog in het landschap herkenbaar waren,waardoor een intentionele inplanting niet ondenkbeeldig is. Ook de ligging van de tweeandere graven, net buiten de kringgreppel van het grafmonument is bijzonder merkwaardig. 133

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)Een vergelijkbaar voorbeeld is onder meer te vinden in Someren - Waterdael. Hier werd inhet Romeinse grafveld van vindplaats 6 een aantal kuilen aangetroffen waarin een lenshoutskool werd aangetroffen. Dit type 'C' werd geïnterpreteerd als resten van debrandstapel of van rituele bijzettingen, aangezien er slechts in twee kuilen een weinig botwerd aangetroffen. Desalniettemin werden ze toch als graf mee geklasseerd en werden zegelieerd aan het Duitse Brandgrubengrab15.Er werden uit deze graven twee monsters geselecteerd voor radiokoolstofdatering. Demonsters komen beide van hetzelfde graf, maar elk uit een andere laag. Beide dateringensitueren zich tussen 130 en 250/260 na Christus.15 Hiddink, 2011, p. 135 - 136. 134

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)9.6. Vroeg - middeleeuwse bewoning 9.6.1. BewoningssporenNa de grote leegte, volgend op de Romeinse periode, begon vanaf de 6de eeuw deherbevolking van onze contreien. Het zal nog ongeveer 200 jaar langer duren voor er ookeffectief bewoning op de site eikevelden aangetroffen kon worden. Deze mensenvestigden zich op de locatie waar voordien het grafveld uit de ijzertijd, de Romeinsebewoning en later ook vol middeleeuwse huizen gebouwd werden. Desalniettemin werdeneen aantal structuren en waterputten uit deze periode aangetroffen. Afbeelding 9.70.: Overzicht van alle vroeg middeleeuwse structuren en waterputten.Waar in de Romeinse periodes en de volle middeleeuwen de huisplattegronden binnenenkele typevoorbeelden te vatten zijn, wordt er in deze periode meer gediversifieerd quavormen. Huizen worden gebouwd met twee tot zes schepen en drie tot negendwarsbeuken, hetgeen resulteert in een afwisseling van lange smalle tot korte brede huizen,met alle mogelijke tussenvormen. Een overzicht is onder meer te vinden in de publicatie 135

Condor Archaeological Research Eikevelden (Geel)van Verwers uit 199816. Of deze diversiteit een weerslag is van het experimenteren enzoeken naar de meest efficiënte vorm of gewoon een getuige zijn van de noden van hetmoment is niet geweten.Naast de gewone structuur met even verdeelde palenrijen verschijnt er ook een gebouwwaarbij de buitenzijde wordt gevormd door twee dicht bij elkaar staande palenrijen.Hierdoor wordt de binnenkern deels vrij gelaten wat resulteert in meer bruikbare ruimte.Een volgende variant met slechts één palenrij als wandstructuur zou dan een directevoorloper kunnen zijn van de volmiddeleeuwse boothuizen.Afbeelding 9.71.: Overzicht van de vroeg middeleeuwse bewoning.De meest markante gebouwen zijn twee grote structuren (STR012 en STR033) 24 meterlang en 6 meter breed (Afbeelding 9.72.). Ze zijn volgens een noordoost-zuidwest richtingingeplant en bestaan uit twee rijen grote zware palen die de dragende constructie vormen.In sommige paalkuilen werd het negatief van de kern van de paal nog aangetroffen. Detwee gebouwen overlappen elkaar deels, hetgeen een simultaan voorkomen uitsluit. Erwerd geen indicatie van een toegang aangetroffen, waardoor het gissen is waar deze ergensgelegen is.16 Verwers, 1998, p. 199-360. 136




























Like this book? You can publish your book online for free in a few minutes!
Create your own flipbook